DIAGNOSE EN STADIËRING

ONDERZOEK & DIAGNOSE

Denkt jouw oogarts dat je een oogmelanoom hebt, dan verwijst hij je naar een ziekenhuis dat in oogtumoren gespecialiseerd is. 
Daar krijg je een uitgebreid oogheelkundig onderzoek. Dit bestaat uit meerdere onderzoeken:

FUNDUSCOPIE
Een fundusscopie is een onderzoek waarmee de arts het netvlies in de binnenkant van het oog beoordeelt. Andere namen voor dit onderzoek zijn oftalmoscopie en oogspiegelen. 

Voor dit onderzoek gebruikt de oogarts een oogspiegel. De oogspiegel stuurt een lichtbundel door de pupil en verlicht zo het netvlies. Door een vergrotende lens voor het oog te houden ziet de arts het netvlies met de bloedvaten en de oogzenuw. Ook een eventuele tumor is vaak goed te zien. 
Uw oog wordt van tevoren gedruppeld, zodat de pupil zich verwijdt. Zo kan de oogarts het hele netvlies beoordelen. Door de verwijde pupil kun je tijdelijk wazig zien en ben je gevoeliger voor licht. Een zonnebril kan dan prettig zijn. Je kunt dan beter niet zelf autorijden. Na enkele uren is dit effect verdwenen.

ECHOGRAFIE

Een echografie van het oog wordt gedaan om de dikte van het melanoom te meten. Het is een onderzoek waarbij de oogarts met geluidsgolven de verschillende lagen en weefsels in uw oog bekijkt. Hij kan van afwijkingen aan de binnenkant van het oog de precieze dikte meten. Ook kan hij een indruk krijgen van de samenstelling van het weefsel waaruit de afwijking bestaat.
Terwijl je in verschillende richtingen kijkt, tast de oogarts met behulp van een soort platte pen uw oog af. Tijdens het onderzoek kan de oogarts op een scherm de verschillende weefsels in het oog zien.

 

FLUORISCENTIE-ANGIOGRAFIE 

Dit onderzoek wordt gedaan om meer informatie te krijgen over de kenmerken van jouw tumor en soms ook over de precieze afmetingen.
Fluorescentie angiografie is een oogonderzoek. Bij dit onderzoek maakt de arts foto’s van de bloedvaten in het netvlies van het oog. Dit heet een fluorescentie angiogram (FAG).
Tijdens het onderzoek zit je voor een camera, met je hoofd in een kinsteun. De arts maakt enkele foto's van beide ogen. Daarna krijg je een kleurstof in je arm of hand gespoten. Deze kleurstof heet fluoresceïne. De kleurstof verspreidt zich via de bloedvaten door je lichaam en komt ook in je ogen terecht. Ondertussen maakt de arts een reeks foto's. Dit gebeurt met een speciale fotocamera met flitslicht. Op de foto's is te zien hoe de kleurstof zich via de bloedvaatjes in je oog verspreidt.
De kleurstof maakt mogelijke afwijkingen in het netvlies zichtbaar. De arts kan bijvoorbeeld zien of er bloedvaten ontbreken of afgesloten zijn. Het kan ook zijn dat zich juist nieuwe bloedvaten hebben gevormd. Of dat er lekkende bloedvaten zijn.
De kleurstof komt in alle bloedvaten van het lichaam, ook in de vaten van de huid. Je huid zal hierdoor een aantal uur geel verkleurd zijn en je  bent een dag lang gevoeliger voor zonlicht. Ook je oogwit kan tijdelijk gelig van kleur zijn. 
Een uur voor het onderzoek krijg je oogdruppels. Hierdoor verwijdt de oogpupil. Door de verwijde pupil en de lichtflitsen zie je na het onderzoek tijdelijk wazig. Een zonnebril kan dan prettig zijn. Je kunt dan beter niet zelf autorijden.
Door de kleurstof kun je kort misselijk zijn. Daarom kun je vanaf 2 uur voor het onderzoek beter niet eten en drinken. Je plast de kleurstof vanzelf weer uit. Hierdoor heeft je urine 24 uur een donkeroranje kleur.

MRI
Dit onderzoek heeft een meerwaarde voor het plannen van de beste behandeling omdat het de tumor in 3D kan afbeelden. Deze methode wordt gebruikt voor het plannen van de brachytherapie en wordt verder ontwikkeld voor het plannen van de protonenbestraling. 

AANVULLENDE ONDERZOEKEN
Daarnaast zal de oogarts of medisch oncoloog in dit stadium ook controleren op uitzaaiingen in andere organen. Dit gebeurt meestal met een echografie van de lever en een longfoto. Alvorens over te gaan op de behandeling van het oogmelanoom wordt zo uitgesloten dat elders in het lichaam zich uitzaaiingen bevinden.

 

De kans op uitzaaiingen is van veel factoren afhankelijk, vooral van de genetische samenstelling van de tumor. Genetisch gezien zijn er verschillende soorten oogmelanomen. Ook de plaats en grootte van het oogmelanoom geven een indicatie. Soms kan er, voorafgaand aan de behandeling van het oogmelanoom, een biopsie gedaan worden om vast te stellen of er een verhoogd risico zou kunnen zijn. Het verlies van chromosoom 3 en/of de aanwezigheid van een BAP1-mutatie zijn bijvoorbeeld indicatoren voor een verhoogd risico. Stadiëring geeft een voorspelling van de prognose voor het ontwikkelen van uitzaaiingen. Daarnaast zijn er nog andere prognostische kenmerken zoals hogere leeftijd bij diagnose, mannelijk geslacht; tumorgroei buiten het oog en celtype.

Het stadiëringssysteem lijkt ingewikkeld, maar de klassieke stadiëring verloopt via een aantal vaststaande kenmerken: de grootte, locatie,  histologische kenmerken, en het wel of niet aanwezig zijn van uitzaaiingen. Stadium I t/m III: geen uitzaaiingen.  Wanneer de tumor is uitgezaaid naar andere delen van lichaam wordt gesproken van stadium IV.  ( AJCC stadiëring)

Vereenvoudigd :

  • Stadium I - tumoren met de kleinste diameter en dikte

  • Stadium II - tumoren met iets grotere diameter en dikte

  • Stadium III - tumoren met grotere diameter en dikte

  • Stadium IV - uitgezaaid naar andere delen van het lichaam

 

Hiernaast zijn er, door voortschrijdend inzicht, ook prognoses in te delen naar chromosoomafwijkingen.  In de genetische kenmerken is ook een indeling gemaakt voor risico-kenmerken van de tumor. Zowel LUMC Leiden als het Erasmus MC hebben in lezingen en rondleidingen verschillende van deze kenmerken uitgelegd, en doen dit nog steeds, voor meer informatie hierover neemt u contact op met de oogmelanoom projectgroep van Stichting Melanoom info@oogmelanoombuddy.nl Ook tijdens de Melanoom Info Dagen van Stichting Melanoom wordt veel informatie gegeven.

 

STADIUMINDELING BIJ OOGMELANOOM 

 

De arts gebruikt bij oogmelanoom (uveamelanoom) de stadiumindeling om de ernst en uitgebreidheid van de ziekte aan te geven.

 

Om het stadium van de kanker te bepalen, worden drie dingen beoordeeld:

  • het oogmelanoom zelf (T)

  • eventuele uitzaaiingen in de lymfeklieren (N)

  • eventuele uitzaaiingen in organen op afstand van de tumor (M)

 

Elk van de 3 onderdelen (de T, de N en de M) wordt beoordeeld en krijgt een cijfer en soms ook nog een letter. Over het algemeen geldt: hoe hoger het getal, hoe groter de uitgebreidheid. Samen vormen ze de zogenaamde TNM-indeling.

 

T-categorieën voor melanoom in de iris:


TX: De tumor in het oog kan niet worden vastgesteld; informatie onbekend.

 

T0: Er is geen bewijs dat er tumor in het oog aanwezig is.

 

T1: De tumor zit alleen in de iris

 

  • T1a: de tumor zit alleen in de iris en raakt 1/4 of minder van de iris.

  • T1b: de tumor zit alleen in de iris en raakt 1/4 of minder van de iris.

  • T1c: de tumor zit alleen in de iris en veroorzaakt een toename van de oogdruk (glaucoom).

 

T2: De tumor is in het straalvormig lichaam en/of het vaatvlies gegroeid

 

  • T2a: de tumor is in het straalvormig lichaam gegroeid.

  • T2b: de tumor is in het straalvormig lichaam en het vaatvlies gegroeid.

  • T2c: de tumor is in het straalvormig lichaam en/of het vaatvlies gegroeid en veroorzaakt glaucoom.

 

T3: de tumor is in het straalvormig lichaam en/of het vaatvlies gegroeid en in de harde oogrok.

 

T4: De tumor is buiten de oogbol gegroeid.

 

  • T4a: het deel van de tumor buiten de oogbol is 5 mm of minder lang.

  • T4b: het deel van de tumor buiten de oogbol is 5 mm of minder lang.

 

 

T-categorieën voor melanoom in het straalvormig lichaam en het vaatvlies

 

Melanomen in het straalvormig lichaam en het vaatvlies worden ingedeeld in 4 categorieën (T1 tot en met T4), op basis van de diameter (breedte) en dikte van de tumor. T1 tumoren zijn het kleinst, T4 tumoren zijn het grootst. Elk van deze categorieën wordt vervolgens verder onderverdeeld, op basis van hoe ver de tumor gegroeid is.

 

TX: de tumor in het oog kan niet worden vastgesteld; informatie onbekend.

 

T0: Er is geen bewijs dat er tumor in het oog aanwezig is.

 

T1 tumoren:

 

  • T1a: De T1- tumor groeit niet in het straalvormig lichaam of buiten de oogbol.

  • T1b: De T1- tumor groeit in het straalvormig lichaam.

  • T1c: De T1- tumor groeit niet in het straalvormig lichaam, maar buiten de oogbol. Het deel van de tumor buiten de oogbol is kleiner of gelijk aan 5 mm.

  • T1d: De T1- tumor groeit in het straalvormig lichaam EN buiten de oogbol. Het deel van de tumor buiten de oogbol is kleiner of gelijk aan 5 mm

 

T2 tumoren:

 

  • T2a: De T2-tumor groeit niet in het straalvormig lichaam of buiten de oogbol

  • T2b: De T2-tumor groeit in het straalvormig lichaam

  • T2c: De T2- tumor groeit niet in het straalvormig lichaam, maar buiten de oogbol. Het deel van de tumor buiten de oogbol is kleiner of gelijk aan 5 mm.

  • T2d: De T3- tumor groeit in het straalvormig lichaam EN buiten de oogbol. Het deel van de tumor buiten de oogbol is kleiner of gelijk aan 5 mm.

 

T3-tumoren:

 

  • T3a: De T3-tumor groeit niet in het straalvormig lichaam of buiten de oogbol

  • T3b: De T3-tumor groeit in het straalvormig lichaam

  • T3c: De T3- tumor groeit niet in het straalvormig lichaam, maar buiten de oogbol. Het deel van de tumor buiten de oogbol is kleiner of gelijk aan 5 mm.

  • T3d: De T3- tumor groeit in het straalvormig lichaam EN ook buiten de oogbol. Het deel van de tumor buiten de oogbol is kleiner of gelijk aan 5 mm

 

T4-tumoren:

 

  • T4a: De T4-tumor groeit niet in het straalvormig lichaam of buiten de oogbol.

  • T4b: De T4-tumor groeit in het straalvormig lichaam.

  • T4c: De T4- tumor groeit niet in het straalvormig lichaam, maar groeit buiten de oogbol. Het deel van de tumor buiten de oogbol is kleiner of gelijk aan 5 mm.

  • T4d: De T4- tumor groeit in het straalvormig lichaam EN ook buiten de oogbol. Het deel van de tumor buiten de oogbol is kleiner of gelijk aan 5 mm.

  • T4e: de tumor kan elke grootte hebben. Hij groeit buiten de oogbol EN het deel van de tumor buiten de oogbol is groter dan 5 mm.

 

N- categorieën voor melanoom in de iris, het straalvormig lichaam of het

Vaatvlies


NX: De lymfeklieren kunnen niet beoordeeld worden.

 

N0: De kanker heeft zich niet verspreid naar nabijgelegen lymfeklieren.

 

N1: De kanker heeft zich niet verspreid naar nabijgelegen lymfeklieren OF er zijn micro- uitzaaiingen in andere delen van het oog.

 

  • N1a: De kanker heeft zich verspreid naar nabijgelegen lymfeklieren

  • N1b: De kanker heeft zich niet verspreid naar nabijgelegen lymfeklieren, maar er zijn micro- uitzaaiingen in andere delen van het oog.

 

M-categorieën voor melanoom in de iris, het straalvormig lichaam of het vaatvlies

 

M0: De kanker is uitgezaaid naar verder gelegen delen van het lichaam

 

  • M1a: De grootste uitzaaiing heeft een doorsnede van maximaal 3 cm

  • M1b: De grootste uitzaaiing heeft een doorsnede die ligt tussen de 3.1 en de 8 cm

  • M1c: De grootste uitzaaiing heeft een doorsnede van groter dan 8,1 cm

 

 

Samenvatting van de 3 categorieën in de TNM-indeling


Om het stadium te bepalen, worden de T, N, en M-categorieën gecombineerd. De stadia worden beschreven met behulp van de Romeinse cijfers I (minst gevorderd) tot IV (meest gevorderd). Sommige stadia worden verder onderverdeeld met letters.

 

Stadium I:

T1a, N0, M0

 

Stadium IIA

T1b tot en met T1d, N0, M0 OF T2a, N0, M0

 

Stadium IIB:

T2b or T3a, N0, M0

 

Stadium IIIA

T2c of T2d, N0, M0 OF T3b of T3c, N0, M0 OF T4a, N0, M0

 

Stadium IIIB

T3d, N0, M0 OF T4b OF T4c, N0, M0

 

Stadium IIIC

T4d of T4e, N0, M0

 

Stadium IV

Elke T, N1, M0 OF elke T, elke N, M1

 

Het stadiëringssysteem voor uveamelanoom is erg ingewikkeld. Wilt u weten hoe het systeem wordt toegepast in uw situatie, vraag uw arts dan om uitleg.

 

Stadiëring van oogmelanoom volgens COMS
Het TNM-systeem is erg uitgebreid. In de praktijk gebruiken veel artsen een eenvoudiger systeem om het stadium te bepalen. Dit is het systeem van de COMS groep die het meeste klinisch onderzoek heeft gedaan naar de behandeling van melanoom in het oog. (COMS staat voor Collaborative Ocular Melanoma Study).

Volgens dit systeem worden oogmelanomen ingedeeld in klein, middelgroot en groot.

  • klein: tussen de 1 mm en 3 mm dik en tussen de 5 mm en 16 mm lang

  • middelgroot: tussen 3.1 mm en 8 mm dik en niet meer dan 16 mm lang

  • groot: meer dan 8 mm dik en meer dan 16 mm lang

 

 

Stichting Melanoom

Postbus 9199
1180 MD AMSTELVEEN

 

STICHTING MELANOOM 2020